Slaap- en waakstoornissen
Dr. Bart Leroy,adjunctkliniekhoofd in het Universitair Centrum St.-Jozef te Kortenberg.
Sleepy Slaap Informatie Symposium, Living Tomorrow, Vilvoorde te 24 februari 2003.
1. KENMERKEN EN VOORKOMEN
1.1. Een miskend probleem
Veel mensen klagen over slaapproblemen. In onze geïndustrialiseerde wereld staan ze bovenaan in de rangschikking van de meest voorkomende psychische en lichamelijke klachten, op de derde plaats na hart- en vaatziekten en maag- en darmziekten. De meeste klachten hebben te maken met slecht inslapen en veelvuldig tussentijds wakker worden. Ruim 35 procent van de bevolking lijdt aan in- en doorslaapstoornissen, gaande van lichte, voorbijgaande klachten tot de ernstigste. Slechts heel zelden gaan slechte slapers met hun problemen naar de dokter. Vaak merken huisartsen het slaapprobleem bij hun patiënten niet op. Maar patiënten signaleren de problematiek al evenmin: 95 procent van de mensen die aan apnoe lijden, weet het zelf niet. Nochtans is het risico op cardiovasculaire problemen en een plotse dood niet gering. Een studie van Leigh (Leigh, 1991) bij een groep werknemers toont aan dat slapeloosheid een belangrijke oorzaak is van werkverzuim. Slaperigheid en suffen gedurende het rijden zijn een onderschat probleem. Ernstige verkeersongevallen gebeuren hoofdzakelijk in de vroege ochtend tussen 2 en 7 uur ‘s morgens, en tussen 14 en 17 uur ‘s namiddags. Dat zijn juist de momenten waarop onze biologische klok onze alertheid op een lager pitje zet. Slaapproblemen veroorzaken niet alleen verkeersongevallen, ze kunnen ook verantwoordelijk zijn voor arbeidsongevallen.
1.2. Een hooggeorganiseerd gebeuren
Wat gebeurt er in het lichaam als men slaapt? Tijdens het slapen dalen bloeddruk en hartslag; de ademhaling vertraagt; de lichaamstemperatuur zakt; de bloedvaatjes in de huid verwijden zich; de spieren ontspannen zich; de stofwisseling vermindert haar werking met zo’n twintig procent. Als men inslaapt, gaan de hersenen stilaan minder reageren op prikkels van buiten af. Toch blijven ze heel bedrijvig, wat bewijst dat de slaap geen passief gebeuren is. De slaap is een actieve, hooggeorganiseerde opeenvolging van allerlei gebeurtenissen waarbij gans het lichaam betrokken is. Enkele uren voordat men gaat slapen begint de lichaamstemperatuur te dalen, en hij stijgt net voor men ontwaakt. De circadiaanse klok werkt als een soort ‘slaapostaat’ die aankondigt dat de bedtijd gekomen is. Reizen door verschillende tijdzones brengt de interne klok uit balans. En werkers in ploegendienst, wiens circadiaanse klok ‘ontregeld’ is, kunnen heel wat klachten uiten.
1.3. De gang van slaapzaken
De slaap kan onderverdeeld worden in vijf stadia: vier stadia van steeds dieper wordende slaap, bekend als de Non Rapid Eye Movements-, of NREM-slaap, en een vijfde stadium de Rapid Eye Movements- of REM-slaap. Men doorloopt deze vijf stadia in een cyclus die ongeveer negentig minuten duurt. Men glijdt stadium één binnen en gaat verder naar stadium twee, om via stadium drie in stadium vier te belanden. In omgekeerde volgorde bereikt men dan weer stadium één, waarna een REM-slaapfase, waartijdens men droomt, de eerste slaapcyclus afrondt. In totaal komen er zo’n vijf cycli per nacht voor, tenminste bij een jonge, gezonde volwassene die zo’n acht uur slaapt. De eerste droom duurt slechts een vijftal minuten. Naarmate de nacht vordert, neemt het aandeel van de REM-slaap in iedere cyclus toe. De REM-slaap neemt het meest tijd in beslag tijdens het laatste derde van de nacht: een droom in de laatste cyclus kan tot vijfenveertig minuten duren. De hoeveelheid NREM-slaap, hoofdzakelijk stadia drie en vier, neemt echter af. De diepe slaap duurt het langst tijdens het eerste derde van de nacht. Iemand die ongeveer acht uur slaapt, brengt zo’n twee uur in REM-slaap door en de rest in NREM-slaap. Naarmate het ouder worden neemt de hoeveelheid REM-slaap af en vermindert de slaapkwaliteit.
1.4. Slaapstoornissen
Het slaap- en waakonderzoek kende de laatste jaren een enorme vooruitgang. Momenteel baseren somnologen zich het meest op de in 1990 ontwikkelde en in 1994 herziene International Classification of Sleep Disorders. Hierin worden de slaapstoornissen onderverdeeld in vier hoofdgroepen: de dyssomnia’s, de parasomnia’s, de slaapstoornissen die samenhangen met medische of psychiatrische problemen en ten vierde de voorgestelde slaapstoornissen. Dyssomnia’s worden gekenmerkt door in- en doorslaapstoornissen, insomnia’s, of door slaperigheid overdag, hypersomnia’s. Afhankelijk van de oorzaak worden deze onderverdeeld in intrinsieke en extrinsieke dyssomnia’s. Bij intrinsieke slaapproblemen ontstaat de oorzaak binnen het lichaam: narcolepsie, slaapapnoe en psychofysiologische insomnia zijn daar voorbeelden van. Bij extrinsieke dyssomnia’s moet men de oorzaak buiten het lichaam zoeken. Een inadequate slaap- en waakhygiëne, overmatig alcoholgebruik en medicatie kunnen mogelijke redenen zijn. Een aparte groep dyssomnia’s zijn het gevolg van circadiaanse ritmestoornissen, zoals jet lag en ploegenarbeid. Parasomnia’s zijn slaapstoornissen waarbij er abnormale gedragingen optreden tijdens de slaap of tijdens de overgang van slapen naar waken of vice versa. Hiertoe behoren nachtmerries, slaapwandelen, tandenknarsen en pavor nocturnus. De derde groep slaapstoornissen zijn slaapstoornissen veroorzaakt door medische of psychiatrische problemen, bijvoorbeeld stemmingsstoornissen, dementie, de ziekte van Parkinson enz. De vierde groep zijn de voorgestelde slaapstoornissen. Deze behelzen nieuwe slaapproblemen waarover vooralsnog onvoldoende inzicht bestaat. (Thorpy, 1989)
1.5. Diagnose
Wanneer een patiënt zich aanmeldt met slaapklachten is een goede anamnese belangrijk om een juist beeld te kunnen krijgen van zijn slaapprobleem. Aan de hand van gerichte vragen moet men proberen te weten te komen hoe de patiënt zijn slaap beleeft. Welke klachten precies heeft hij? Hoe gaat hij daarmee om? Welke waak- en slaapgewoonten heeft hij? In sommige gevallen geeft een systematische slaap- en waakanamnese niet genoeg informatie om een correcte diagnose te stellen en is het nodig om een polysomnografisch onderzoek uit te voeren. Indien men vermoedt dat het om slaap-apnoe, narcolepsie, rusteloze benen, periodische beenbewegingen zou kunnen gaan, of wanneer een behandeling niet het gewenste resultaat oplevert, is een slaap- en waakonderzoek aangewezen. Twee nachtelijke slaapregistraties in een Centrum voor Slaap- en Waakonderzoek brengen nadere informatie over de totale slaaptijd, de inslaaplatentie, de REM-latentie, de slaapfragmentatie, de slaapkwaliteit, het aantal beenbewegingen, het aantal slaap-apnoes... De dag tussen de twee nachten wordt de slaperigheid overdag gemeten door de Multiple Sleep Latency Test (MSLT). Een Pittsburghse slaapkwaliteitsindex (een zelf in te vullen schaal die enkele slaapparameters meet) en een depressieschaal worden systematisch opgetekend. Desgewenst gebeuren bijkomende onderzoeken (psychodiagnostisch onderzoek, neurologisch onderzoek, bloedafname...). Vanuit verschillende disciplines worden alle mogelijke gegevens verzameld om samen een gerechtvaardigde diagnose te vinden. Een behandelplan wordt opgesteld en besproken met de patiënt.
2. DE BASIS VAN DE BEHANDELING VAN SLAAP- EN WAAKSTOORNISSEN: STATE OF THE ART
2.1. Een pertinent probleem
Aan de hand van de internationale classificatie voor slaap-en waakstoornissen kunnen meer dan tachtig verschillende diagnoses gesteld worden. Slaapklachten kunnen, indien ze blijven aanslepen, de gezondheid zwaar hypothekeren. Er dient opgemerkt dat ze niet zelden deel uitmaken van een ruimere psychiatrische aandoening zoals depressie, angst, psychose, of chronische pijn. Relationele, professionele en sociale problemen kunnen gemaskeerd worden door hardnekkige slaapklachten. Naast medicijnen en steunend advies kan psychotherapie nodig zijn. Deskundige hulp is uitermate belangrijk. Veel artsen onderschatten slaap- en waakstoornissen. Er is een pijnlijk gebrek aan kennis. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het ontbreken (geheel of gedeeltelijk) van slaap- en waakgeneeskunde in de artsenopleiding. Bovendien zijn de criteria omtrent het voorschrijven van hypnotica onvoldoende bekend. Daardoor worden slaapmiddelen vaak te snel voorgeschreven terwijl dit niet altijd nodig is of er zelfs een contra-indicatie voor is. Een exacte diagnose is nochtans het uitgangspunt voor het opstellen van een behandelingsplan. Telkens opnieuw zal de behandelaar dienen rekening te houden met de veelheid van factoren die meespelen in het voorkomen van slaap- en waakstoornissen. Hij moet de principes van de behandeling aanpassen naargelang het geval en de persoon in kwestie. Het behandelen van slaapstoornissen is een tijdrovende bezigheid. Er moet volgens plan gewerkt worden, stapje voor stapje. Wanneer de oorzaak op een juiste manier wordt aangepakt, lossen slaapproblemen zich vaak vanzelf op. (Declerck et al, 1986)
2.2. De vrijheid van keuze herstellen
Een doordachte, creatieve aanpak is nodig om resultaten te zien. De patiënt moet zelf wat aan zijn eigen slaaphygiëne verbeteren. Hij moet een juister inzicht krijgen in zijn eigen slaap. Hij zal moeten leren zijn eigen gedrag te bevragen. Bij het zoeken naar antwoorden op die vragen kan het nuttig zijn de patiënt aan te bevelen een slaapdagboek bij te houden. Daarin kan hij enkele weken noteren hoe laat hij naar bed is gegaan, wanneer hij opstaat, hoeveel uren hij slaapt, hoe vaak hij ‘s nachts wakker wordt, of hij gedroomd heeft, of hij zich ‘s morgens uitgerust voelt, wanneer hij een slaapmiddel heeft gebruikt. Allemaal informatie die de behandelaar een ruggensteun kan geven om het verstoorde slaappatroon te herstellen. Veranderingen aanbrengen in slaap- en waakgewoonten is niet altijd even gemakkelijk.
Het stellen van duidelijke, haalbare doelstellingen is daarbij nodig. Wie slecht slaapt, moet niet zelden anders leren leven. Het is noodzakelijk dat zijn leven een nieuwe, minder symptomatische betekenis krijgt. Hij moet naast de ongewenste keuze nieuwe keuzemogelijkheden leren aanspreken die hem daadwerkelijk helpen. De behandelaar moet trachten de vrijheid van keuze te herstellen.
2.3. Slaaplessen
Hulpmiddelen kunnen zijn: het in de mate van het mogelijke reorganiseren van de dagindeling; letten op de voeding; het op consequente wijze beperken van alcohol- en cafeïnegebruik: alcohol zal helpen om sneller in te slapen omdat hij de spieren ontspant, maar hij ondergraaft het normale patroon van de REM- en de NREM-slaap en in het tweede gedeelte van de nacht kunnen ontwenningverschijnselen optreden zoals zweten en beven, en de effecten van cafeïne duren nog uren na de inname; het niet roken vlak voor het slapen gaan: nicotine werkt stimulerend; het regelmatig plannen van lichaamsbeweging in de loop van de dag: als het lichaam moe is zal het vanzelf in slaap vallen (al te drukke activiteiten vlak voor bedtijd beletten echter te slapen); het volhouden van een slaapritueel: een vast slaapritueel bevordert een goede nachtrust; het onder handen nemen van de slaapomgeving; het optimaal inrichten van de slaapkamer: licht en geluid zoveel mogelijk weren; het vinden van de slaapkamertemperatuur waarbij men zich goed voelt en die de hele nacht behouden; het niet teveel tijd in bed doorbrengen: niet langer dan het aantal uren nodig om overdag alert te kunnen functioneren; het uit het hoofd zetten van stresserende gedachten; dutjes mogen niet te lang duren: lang genoeg om de batterijen op te laden, niet te lang om de kwaliteit van de nachtelijke slaap niet aan te tasten (mensen met slaapproblemen vermijden best dutjes overdag, ze werken meestal niet verfrissend; bejaarden of mensen met narcolepsie kunnen daar wel deugd aan beleven).
2.4. Relaxatietraining
Sommigen hebben het moeilijk om de dag los te laten. De gedachtenstopmethode leert mensen, die niet kunnen inslapen omwille van het feit dat ze te veel piekeren, hoe ze hun woekerende gedachten kunnen stilleggen. Ook een slaapritueel, zoals het nemen van een warm bad of het drinken van een tas thee, maar ook bepaalde kruiden nemen, kan helpen de overgang van de woelige dag naar de ‘stille’ nacht te nemen. Allerlei ontspanningsmethoden zijn vaak nuttig bij angstige en dwangmatige mensen. Zichzelf leren ontspannen is belangrijk om later goed te slapen. Het is zinvol dat iemand met slaapproblemen de wereld van zijn lichaam ontdekt. Naast lichaamsgerichte activiteiten en het erop nahouden van een goede slaap- waakhygiëne heeft hij misschien baat bij relaxatietechnieken. Die kunnen hem helpen rustiger naar bed te gaan. Wel moet opgemerkt worden dat wetenschappers de weerslag van deze behandelingsmethoden op het slaapgedrag klinisch bescheiden vinden. Toch voelen velen er zich goed bij. Het zijn manieren om bewuster met zichzelf om te gaan. Relaxatietechnieken gunnen de betrokkene de kans om wat controle over zijn eigen lichaam te krijgen. En, dat is een gunstige voorwaarde om de slaap voor te bereiden.
2.5. Het bed
Een degelijk bed ondersteunt de slaap. Om goed te slapen is er ruimte nodig. In de breedte is negentig centimeter per persoon optimaal. Het bed moet ongeveer twintig centimeter langer zijn dan de grootste partner. In elk geval moeten de beddebodem en de matras op elkaar afgestemd zijn. Een juiste combinatie maakt de steun die het lichaam verdient, perfect mogelijk. Een goede lattenbodem moet steun geven ter hoogte van de heupen, zodat de rug niet doorhangt, en moet een heel soepele schouderzone hebben zodat de schouders dieper kunnen wegzakken dan de heupen. Belangrijk is dat de latten van de lattenbodem soepel opgehangen zijn. De dikte van de matras moet aangepast zijn aan het lichaamsgewicht. Het bed mag best alleen gebruikt worden om te slapen, dus het mag niet geassocieerd worden met lezen, tv-kijken, zware gesprekken voeren, en ook niet met wakker liggen. Als men wakker ligt, is het beter even op te staan.
3. SLAAPMEDICATIE
3.1. Gebruik
De laatste jaren is het gebruik van slaapmiddelen toegenomen. Van alle Europese landen zou België het hoogste benzodiazepinegebruik hebben. Vrouwen zouden er meer beroep op doen dan mannen. Vooral huisvrouwen en mensen zonder werk behoren tot de risicogroep. Ook bejaarden zijn een kwetsbare groep. In de meeste tehuizen voor ouden van dagen neemt de helft van de bewoners een slaapmiddel. Slaapstoornissen, nervositas en angst zijn goed voor twee derden van het gebruik. Het overige derde behelst meer twijfelachtige indicaties zoals spanningshoofdpijn, psychosomatische klachten...( Demeyere M., 1993)
3.2. Indicatie
Sommige slaapstoornissen dienen met slaapmiddelen bestreden te worden. Bij een slaapstoornis, die zich opeens voordoet, is een behandeling met medicijnen nuttig. Het kan tijdelijk verantwoord zijn om met slaapmedicatie een probleem aan te pakken dat anders wel eens uit de hand zou kunnen lopen. Hypnotica helpen een acuut slaapprobleem aanpakken, bijvoorbeeld bij acute stress of spanning, jet lag... Het is echter nodig de ware oorzaak van het slaapprobleem te kennen vooraleer men aan medicatie denkt. Slaapmiddelen beletten dat een vervelende situatie chronisch wordt. Een korte termijnbehandeling (drie tot vier weken) kan een gunstig effect hebben. Al te vaak wordt er langdurig gebruik gemaakt van hypnotica. Dat houdt risico’s in: op lange termijn kunnen de slaapefficiëntie, de slaapcontinuïteit en de slaapduur verminderen; stadium 2 neemt toe en er is een ondervertegenwoordiging van de diepe slaap. Hypnotica geven het gevoel dat men ‘s nachts minder wakker wordt. Het werkt gewenning in de hand. Ermee stoppen wordt alsmaar moeilijker.
3.3. Het ideale slaapmiddel
Het ideale slaapmiddel bestrijdt de slaapstoornis, helpt het normale slaappatroon herstellen, werkt overdag niet na, en mag verder geen neveneffecten hebben. Bestaat zoiets? Nee. Voorlopig toch, al zet de farmaceutische industrie alles op alles. Gelukkig is de kwaliteit van de slaapmiddelen de laatste tijd verbeterd, zodat een verantwoorde en doelgerichte keuze mogelijk is. Een goed voorgeschreven hypnoticum houdt rekening met de leeftijd, geslacht, persoonlijke aard, en allerlei risicofactoren van de patiënt. Heeft hij long- of hartaandoeningen? Gebruikt hij andere medicatie? Drinkt hij alcohol? Bestaat er een kans dat hij verslaafd raakt?
Men moet steeds beginnen met een lage dosis. Wanneer na enkele dagen geen effect optreedt, kan de dosis verhoogd worden. Steeds moet gezocht worden naar de laagst effectieve dosis. Medicatie moet altijd begeleid worden door andere psychologische adviezen ter verbetering van het slaap- en waakgedrag.
3.4. Barbituraten
De barbituraten zijn de oudste soort. Barbituraten worden zeer snel in het bloed opgenomen, maar sommige worden zeer langzaam uitgescheiden. Als slaapmiddel zijn ze zeer in trek, vooral vanwege hun kalmerend effect. Barbituraten verstoren de slaap- en waakcyclus. De hoeveelheid REM-slaap bijvoorbeeld vermindert. Als iemand ze lang neemt, wordt zijn slaap aangetast. Zijn alertheid overdag vermindert. En verslaving treedt op. Wie ermee wil kappen, krijgt niet zelden af te rekenen met heel wat ontwenningsverschijnselen. Het zijn slechte slaappillen. Bij overdosis of gecombineerd met alcohol, kunnen ze dodelijk zijn. Barbituraten kunnen dus best alleen gebruikt worden in zeer ernstige gevallen waar benzodiazepines onvoldoende werken. (Moleman, 1992) Wegens hun ontoereikende kwaliteit, vooral bij langdurig gebruik, worden ze haast niet meer voorgeschreven.
3.5. Benzodiazepines
Na de barbituraten zagen benzodiazepines het licht. Ze zijn in zekere mate angstonderdrukkend, spierontspannend, kalmerend en slaapverwekkend. Benzodiazepines kunnen de inslaaptijd verkorten, het aantal keren dat men wakker wordt, doen dalen, en nachtelijke angst bedwingen. Wel kunnen ze op termijn de hoeveelheid diepe slaap, stadia drie en vier, verminderen en kunnen ze de hoeveelheid lichte slaap, stadium twee, vergroten. Men zou kunnen stellen dat ze een kunstmatig slaappatroon opleggen. Benzodiazepines zijn, alles in acht genomen, tamelijk veilig: een fatale overdosis komt veel minder voor dan bij barbituraten.
Bij angst- en slaapprocessen zijn vooral receptoren betrokken waar de neurotransmitter gamma-boterzuur of GABA een grote rol speelt. Wanneer GABA aan zijn receptor op het postsynaptische membraan vastgehaakt ligt, zal het overspringen van zenuwimpulsen over de synaptische spleet moeilijker verlopen. Het GABA-systeem is dus een remmend mechanisme. Op het postsynaptisch membraan is aan de GABA-receptor een aanlegplaats of receptor voor benzodiazepine gekoppeld. Zo’n receptor kan dus enkel geprikkeld worden als er een molecule benzodiazepine aan vasthaakt. Wanneer dus een benzodiazepine zijn receptor op het postsynaptisch membraan bezet, zal het GABA-systeem beter werken. Dit wil zeggen: remmen van de prikkeloverdracht en zo zal het aantal actieve hersencircuits verminderen. Dat geeft rust, kalmte en een slaperig gevoel. (Avonts, 1993)
Als een 24-uurs werking wordt vereist (anxiolyse, anti-epileptische werking en spierrelaxatie) kan best een produkt gekozen worden met een lange t-max (de tijd tussen inname en de hoogste concentratie in plasma). Produkten met een korte t-max geven een snel intreden van werking en ook een sterker effect kort na de inname. Bij slaapstoornissen en ook bij premedicatie is zo’n korte t-max geïndiceerd. Een te lange eliminatie-halveringstijd (meer dan 40 uur) kan bij dagelijkse toediening voor cumulatie zorgen. Bij middelen met een halveringstijd tussen de 20 en 40 uur hangt het van andere eigenschappen, zoals verdelingshalveringstijd af of cumulatie optreedt.
Na staken van een dagelijks toegediend middel bepaalt de eliminatie-halveringstijd hoe snel het middel is uitgewerkt, als vuistregel na circa vijfmaal de eliminatie-halveringstijd. (Moleman, 1992).
De werkingsduur van de benzodiazepines is dus afhankelijk van verschillende factoren zoals dosering, absorptie, verdeling, metabolisme en eliminatie. Aangezien dit alles tussen patiënten sterk kan verschillen zal de voorschrijver kritisch en oordeelkundig de behandeling instellen en ook afbouwen. De patiënten worden regelmatig gevolgd waarbij de werking en de mogelijke nevenwerkingen uitvoerig worden besproken.
3.6. Nevenwerkingen
De kans dat het lichaam went aan benzodiazepines en er afhankelijk van wordt, is reëel. En er zijn bijwerkingen mogelijk. Ze veroorzaken slaperigheid overdag, zeker bij onoordeelkundig gebruik. Verder tasten ze nogal eens de motoriek en de cognitieve functies, zoals het geheugen aan, met alle gevolgen vandien. Denk maar aan bejaarden (door de trager verlopende afbraak van medicatie bij ouderen, wordt de werkingsduur verlengd): ze verliezen bij het gebruik van benzodiazepines meer hun evenwicht, zijn minder geconcentreerd, vallen bijvoorbeeld van een trapje, en lopen zo een letsel op dat soms het begin van het einde betekent. Bij onterechte en overdreven inname van benzodiazepines kunnen de emoties afvlakken, er kan zelfs een beeld van beginnende dementie worden nagebootst. Alcohol werkt ook zo. Bij kinderen en bejaarden kunnen paradoxale reacties optreden zoals woedeuitbarstingen, prikkelbaarheid, geagiteerde psychotische beelden, agressief gedrag, paniekaanvallen of depressie met suïcidale gedachten. Hoge doses benzodiazepines zijn vaak de boosdoeners daarvan. Nochtans, indien hypnotica van het benzodiazepinetype correct voorgeschreven zijn, werken ze uitstekend. Pas na buitensporige en langdurige inname laten eventuele negatieve effecten zich voelen.
3.7. Non-benzodiazepine hypnotica
Het laatstse snufje dat farmaceutische onderzoekers ontwikkelden zijn de benzodiazepine-agonisten zolpidem (Stilnoct ®) en zoplicon (Imovane ®). Deze middelen van de derde generatie zouden de slaaparchitectuur optimaal respecteren, maar wat gebeurt bij langdurig gebruik is voorlopig onduidelijk. Ze zouden minder en mogelijk niet-verslavend zijn. Recente en inmiddels goed bekende hypnotica geven goede resultaten, zeker als ze bij acute slaapproblemen kortstondig voorgeschreven worden. In principe hebben ze een korte halveringstijd.
|
a) benzodiazepine-agonisten |
|
|
|
|
hypnotica |
|
|
|
|
generieke naam |
merknaam® |
T-MAX/uur |
eliminatie-halveringstijd |
|
brotizolam |
Lendormin® |
kort - matig |
3-12 |
|
flunitrazepam |
Rohypnol® |
kort - matig |
15 - 70 |
|
flurazepam |
Staurodorm® |
kort - matig |
40 - 120 |
|
loprazolam |
Dormonoct® |
lang |
10 - 20 |
|
lormetazepam |
Loramet® Noctamid® |
kort - matig |
8 - 20 |
|
midazolam |
Dormicum® |
kort |
1.5 - 5 |
|
nitrazepam |
Mogadon® |
kort - lang |
18 - 35 |
|
remazepam |
Euhypnos® Normison® |
kort - lang |
8 - 20 |
|
triazolam |
Halcion® |
kort - matig |
1 - 5 |
|
zolpidem |
Stilnoct® |
kort - matig |
1 - 5 |
|
zopicion |
Imovane® |
kort - matig |
3.5 - 8 |
|
anxiolytica |
|
|
|
|
alprazolam |
Xanax® Alpraz® |
kort - matig |
9 - 19 |
|
bromazepam |
Lexotan® |
kort - matig |
9 - 19 |
|
chloordia-zepoxide |
Librium® |
lang |
40 - 60 |
|
clobazam |
Frisium® |
matig - lang |
15 - 50 |
|
clonazepam |
Rivotril® |
lang |
20 - 40 |
|
clorazepaat |
Tranxène® |
kort - matig |
40 - 120 |
|
diazepam |
Valium® |
kort |
40 - 120 |
|
ketazolam |
Unakalm® |
lang |
40 - 120 |
|
lorazepam |
Temesta® |
kort - matig |
8 - 20 |
|
nordazepam |
Calmday® |
matig |
40 - 120 |
|
oxazepam |
Seresta® |
matig - lang |
8 - 20 |
|
temazepam |
Levanxol® |
matig |
8 - 20 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
b) overige |
|
|
|
|
zaleplon |
Sonata® |
kort |
1 |
|
buspiron |
Buspar® |
kort - matig |
2 - 14 |
3.8. Contra-indicaties
Chronische slaapproblemen of een misperceptie van de slaap zijn contra-indicaties. Ook een kortslaper is niet gediend met een hypnoticum. Kortslapers hebben nu eenmaal minder slaap nodig dan anderen. Veel slaapmiddelen hebben een dempend effect op de ademhaling. Bij patiënten met ademhalingsproblemen bestaan er risico’s. Het samengebruik van benzodiazepines met barbituraten, sommige antidepressiva of alcohol is nefast. Zwangere vrouwen vermijden slaapmiddelen het best, zeker in het eerste trimester van de zwangerschap. Men weet nog altijd niet zeker of hypnotica de ontwikkeling van het kind beïnvloeden. Bij mensen met leveraandoeningen wordt de afbraak van benzodiazepines in de lever afgeremd, met een langere werkingsduur als gevolg. Drugsverslaafden of mensen met een persoonlijkheidsstoornis vormen een risicogroep. Bij hen kunnen hypnotica verslaving en misbruik in de hand werken.
3.9. Stoppen met slaapmedicatie
Hoe langer iemand met behulp van een slaapmiddel indommelt, hoe moeilijker het wordt om ermee te stoppen. De kwaliteit van het voorgeschreven product, de dosis en zijn nawerking bepalen mee de verslaafdheid. Geslacht en leeftijd zijn andere risicofactoren die meespelen in het lichamelijk verwerkingsproces van slaapmiddelen. Medicatie plots stopzetten, kan een toename van de droomslaap geven en met ontwenningsverschijnselen gepaard gaan. Dat gevoel van ‘ terug naar af of erger’ zou een reden kunnen zijn om de medicatie toch maar te blijven gebruiken. Het nemen van slaapmedicatie moet geleidelijk afgebouwd worden. Wie dat niet doet, krijgt te maken met ontwenningsfenomen zoals een toename van slaapklachten, prikkelbaarheid, angst, moeheid, hoofdpijn, zweten, beven, duizeligheid, concentratieverlies, en zelfs verwardheid. Zo’n afbouwschema kan maanden tijd vragen. Eventueel kan bijkomende medicatie uit een andere groep nodig zijn. Sommige kalmerende anti-depressiva en neuroleptica komen hiervoor in aanmerking. Mianserine en trazodone hebben een goede reputatie als aanvullende behandeling bij het herstel van de slaap. Bij neuroleptica bestaat er een gevaar voor het ontstaan van extrapyramidale symptomen.
4. SPECIFIEKE BEELDEN EN BEHANDELING
4.1. Acute stress-insomnia en psychofysiologische insomnia
Een emotioneel belastende ervaring, zoals het plots overlijden van de partner, een ziekenhuisopname, leidt vaak tot een acute stress-insomnia. De insomniaklachten verdwijnen meestal wanneer de stresserende situatie opgeklaard is. Tijdens deze moeilijke periode kan een kortdurende behandeling met een hypnoticum helpen voorkomen dat zo’n insomnia uiteindelijk chronisch wordt. Soms blijft de acute stress-insomnia voortwoekeren en mondt tenslotte uit in een psychofysiologische insomnia. De eigenlijke aanleiding raakt vergeten, maar wordt wel in stand gehouden door psychofysiologische mechanismen (psychologische: gedachten zoals ‘ik kan niet slapen’ of ‘het zal weer niet lukken’, fysiologische: hartslag, bloeddruk, spierspanning). Nogal wat mensen die eraan lijden blijven zitten met het angstig gevoel niet te kunnen slapen: ze zijn als het ware geconditioneerd. De behandeling is niet eenvoudig. Het behandelplan omvat adviezen voor een goede slaap- waakhygiëne naast gedragstherapeutische interventies. Een hypnoticum is meestal niet zinvol. In een aantal gevallen kunnen sommige antidepressiva de slaap bevorderen. (Theys P.,1995)
4.2. Psychische en organische aandoeningen
Heel wat psychiatrische ziektebeelden kunnen de slaap ontregelen. Psychosen, depressies, angststoornissen en paniekaanvallen gaan dikwijls gepaard met slaapproblemen. Psychotische mensen hebben vaak in- en doorslaapstoornissen. Een depressie veroorzaakt in negen op de tien gevallen slaapstoornissen (85 procent daarvan betreft insomnia en 15 procent hypersomnia); depressieve mensen hebben last om in te slapen en doorslapen lukt hen haast niet, en ze krijgen niet zelden nachtmerries. Ook een angststoornis, die trouwens vaak in combinatie optreedt met een depressie, kan de slaap ontregelen. De behandeling van de psychiatrische aandoening staat voorop. Bij zeer ernstige slaapklachten kan slaapmedicatie tijdelijk toegediend worden om de problemen binnen de perken te helpen houden. Het spreekt vanzelf dat ook allerlei lichamelijke aandoeningen de slaap grondig kunnen verstoren- vooral chronische ziektebeelden die gepaard gaan met pijn, zoals reuma, jeuk, of een allergie. Ook problemen met de ademhaling of hart- en bloedvaten kunnen de nachtrust bemoeilijken. Vooral de laatst genoemde klachten worden vaak niet snel genoeg onderkend. Ook dient opgemerkt dat het toedienen van medicatie voor een bepaalde aandoening, bijvoorbeeld cortisone of schildklierhormomen of medicatie voor hart- en longaandoeningen, verantwoordelijk is voor slaapklachten.
4.3. Narcolepsie
Narcolepsie is een ziekte die al in 1880 door Gelineau werd omschreven als een aandoening gekenmerkt door een plots toeslaande, onbedwingbare slaapzucht met regelmatige tussenpozen van dertig seconden tot zelfs twintig minuten. Na elk dutje voelt een narcolepticus zich weer fris. Op momenten van grote vreugde of woede kunnen de spieren van zijn hoofd en nek verslappen (kataplexie). Af en toe krijgen ook andere spieren een inzinking en kan hij letterlijk door de knieën gaan. Ook de waarneming, vooral de visuele en akoestische kan gestoord zijn. Meestal steekt narcolepsie op tienerleeftijd de kop op en raakt men er zijn leven lang niet meer van af. Soms worden binnen dezelfde familie verschillende gevallen geconstateerd. Hoe kan narcolepsie behandeld worden? Het ontwikkelen van een optimale slaaphygiëne is absoluut noodzakelijk. Voor wie aan narcolepsie lijdt, is een zo goed mogelijke nachtrust enorm belangrijk. Ook het volgen van een vast schema van dutjes (telkens vijftien tot dertig minuten) overdag kan helpen. Om de slaperigheid de rest van de dag tegen te houden, kunnen stimulerend middelen voorgeschreven worden. Amfetaminepreparaten (o.a. Stimul tot zes tabletten per dag) kennen hier een juiste indicatie. Methylphenidatum of Rilatine is ook goed gekend bij kinderen die lijden aan een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Bij narcolepsie worden twee à drie tabletten per dag aanbevolen. Nieuwe producten zoals Modafinil bieden hoopvolle perspectieven. Dit middel is geen amfetamine, maar zou de slaperigheid ook verminderen. Kataplexie kan behandeld worden met tricyclische antidepressiva.
4.4. Slaap-apnoe
Naast narcolepsie is slaap-apnoe de belangrijkste oorzaak van overmatige slaperigheid overdag. In tegenstelling tot de narcolepticus voelt de apnoelijder zich niet uitgerust nadat hij overdag in slaap is gevallen. Slaap-apnoe wordt gekenmerkt door een luid, onregelmatig gesnurk. De apnoe wordt veroorzaakt door een blokkeren van de bovenste luchtwegen tijdens de slaap. Wie eraan lijdt, moet dan als het ware voor zijn zuurstof vechten. De luchtwegen openen zich een beetje en de lucht wordt snurkend binnengehaald. Bij de apnoelijder stopt of hapert de ademhaling telkens langer dan tien seconden, soms tot honderden malen per nacht. De kwaliteit van de slaap wordt voortdurend op de proef gesteld. De meest voor de hand liggende maatregel tegen apnoe is vermageren. Alcohol en tranquillizers zijn uit den boze. Een aangepaste houding in bed kan helpen: een apnoelijder slaapt best niet op zijn rug. Een tennisbal in de pyama innaaien helpt voorkomen dat de apnoe-lijder op zijn rug ligt. In zeer selectieve gevallen kan een chirurgische ingreep overwogen worden om de luchtwegen vrij te maken. Maar dan moeten de apnoe-aanvallen wel heel ernstig zijn en de gezondheid bedreigen. Er bestaat ook een apparaatje dat een luchtdruk produceert die groot genoeg is om de bovenste luchtwegen open te houden. NCPAP (Nasal continuous positive airway pressure) kan een levensbedreigende apnoe onder controle krijgen. Onder bepaalde voorwaarden is er een terugbetaling door het ziekenhuis voorzien.
4.5. Rusteloze benen en periodische beenbewegingen
Heel wat mensen worden uit de slaap gehouden door zogeheten rusteloze benen: een onaangenaam kriebelend, tintelend of jeukend gevoel in de benen dat iemand dwingt om op te staan, of onweerstaanbaar met de benen te wiebelen. Het kan zich al voordoen in de loop van de avond, en vaak belet het om in te slapen. Na een tijdje beengewiebel of een beetje rondlopen, vermindert het jeukende, tintelende gevoel. Een paar rekoefeningen voor de kuitspieren doen, kan helpen. Als het gevoel echt ondraaglijk blijft, is verder medisch onderzoek zinvol. Men kan ook periodische beenbewegingen maken tijdens zijn slaap, zonder daar zelf weet van te hebben. Polysomnografie kan die nachtelijke schokjes aan het licht brengen. Er bestaan verschillende medicijnen voor dit vervelende fenomeen. Uit empirisch onderzoek blijken sommige producten een positief effect te hebben. Rivotril 0,5mg is de klassieke behandeling. Ook anti-parkinsonmiddelen zoald L-DOPA (100-400mg), Sinemet of Dopamine-agonisten kunnen hulp bieden. Bij hardnekkige gevallen kunnen D1 en D2 agonisten voorgesteld worden zoals Parlodel, Permax, enz. Een alternatieve behandeling kan gebeuren met Codeïne (tot 30mg). Gezien het risico op afhankelijkheid wordt vaak een zogenaamde drugholliday voorzien. Als periodische beenbewegingen alleen maar aan één kant gebeuren, kan dat wijzen op vroeger opgelopen rugletsels.
4.6. Stoornissen in het slaap- en waakritme
Jet lag komt vooral voor na lange vliegtuigreizen waarbij verschillende tijdzones overschreden worden. De ‘inwendige tijd’ staat dan niet meer gelijk met de plaatselijke tijd. Men voelt zich moe, is humeurig, verliest zijn eetlust, ziet niet meer zo scherp; het geheugen laat het afweten, de concentratie staat op een laag pitje. Wat kan men ertegen doen? Men kan zich thuis voorbereiden op het tijdsverschil door de dagen bijvoorbeeld stilaan langer te laten worden als het tijdsverschil dat vraagt (een vlucht in westelijke richting). Bij een vlucht in oostelijke richting heeft men meer moeite. De biologische klok laat zich veel moeilijker vooruitzetten. De strategie om een jet lag-ervaring te verminderen hangt af van de duur en het doel van de reis. Als er niet meer dan twee tot drie dagen tussen heen- en terugreis liggen, kan men best blijven leven volgens de Europese tijd. Zich krampachtig proberen aan te passen aan de plaatselijke tijd, haalt niet veel uit: de aanpassing van de circadiaanse ritmen duurt langer. Ook mensen die in ploegendienst werken zijn kwetsbaar voor een stoornis in hun slaap- en waakritme. Werknemers die ‘s nachts werken, lopen drie- tot vijfmaal meer het gevaar om in te dommelen. Concentratieverlies, meer vergissingen zijn er het gevolg van. De nachtelijke werknemers hebben vaker gezondheidsproblemen. Toch lijdt niet iedereen daaronder. Blijkbaar past de ene mens zich gemakkelijker aan dan een andere, hoewel het aanpassingsvermogen meestal toch kleiner wordt als men ouder wordt. De symptomen, zoals een hoog aantal maagzweren, kunnen verlicht worden als de opeenvolging van de werktijden de wijzers van de klok volgt. Snel roterende werktijden (met de klok mee) verdienen dus de voorkeur. Bij slaap- en waakstoornissen zoals jet lag en een ploegenarbeidsyndroom kan lichttherapie behulpzaam zijn. Het toedienen van intens licht van 2500 lux zou de aanpassing kunnen vergemakkelijken. (Beullens, 1995)
5 LEEFTIJDSGEBONDEN SLAAPVERSCHIJNSELEN
5.1. De slaap van kinderen
Een baby slaapt bij wijze van spreken altijd. Hij wordt eigenlijk alleen wakker als hij honger krijgt of een natte luier heeft. Maar langzamerhand past de verhouding tussen waken en slapen zich meer en meer aan de sociale omstandigheden aan. Het slaappatroon van pasgeborenen bestaat bijna voor de helft uit NREM-slaap en voor de andere helft uit REM-slaap. Op oudere leeftijd komt daar meer variatie in. Een pasgeborene vertoont een patroon van veelvuldig afwisselend slapen en wakker zijn. Hij slaapt gemiddeld zestien uur per dag. Tijdens de groei neemt het aantal slaap-uren geleidelijk af. Na enkele weken is de slaapduur al teruggebracht tot veertien uur. Een kind van zes maand slaapt twaalf uur, kleuters slapen gemiddeld tien uur lang. Bij kinderen van drie tot vijf komt voor het eerst een verschil in slapen tussen jongens en meisjes aan het licht. Jongens slapen beduidend langer dan meisjes. Kinderen van die leeftijd leren geleidelijk ook ‘s nachts te slapen, aangevuld met een namiddagdutje. Vanaf hun zesde beginnen ze heel de dag op te blijven en ‘s nachts in één ruk door te slapen. En dat patroon zal zich handhaven.
5.2. De eerste levensjaren
Men moet er rekening mee houden dat het slaappatroon van een kind nog gestalte moet krijgen. Pas na zes maanden lijkt het enigszins op dat van een volwassene. En echt volgroeid is het pas bij de adolescentie. Het heeft dan ook geen enkele zin een baby in zijn eerste levensmaanden ‘s nachts te laten huilen in de hoop dat hij een normaal dag-nachtritme zal ontwikkelen. Alle baby’s worden nu eenmaal ‘s nachts voor korte periodes wakker. Maar als men de baby dan lekker verwent en overdreven aandacht geeft, zal hij heel moeilijk een duidelijk dag- nachtritme kunnen ontwikkelen. Hij moet telkens hij wakker wordt het gevoel krijgen dat gezelschap alleen dient om hem te helpen helemaal alleen door te slapen. Van één tot drie jaar manifesteert zich een groeiende onafhankelijkheid. Ook zelf inslapen, en op eigen houtje snel weer indommelen als ze ‘s nachts plots wakker worden, moeten peuters leren. Op de peuterleeftijd beginnen op de koop toe angstdromen een rol te spelen. Op de leeftijd van drie tot vijf blijven bedtijdroutines heel belangrijk. Vooral het ritueel voor het slapen moeten de ouders opbouwen, bijvoorbeeld tandjes poetsen, een bad nemen of een verhaaltje vertellen. Al bij al zijn veel in- en doorslaapproblemen die bij kleuters opduiken, handelbaar.
Doorslaapstoornissen kunnen ook te maken hebben met nachtmerries, die bij kleuters nogal gemakkelijk voorkomen. Maar hoe ouder ze worden, hoe beter het gaat.
5.3. Oudere kinderen
Bij kinderen van zes tot twaalf lossen de slaapproblemen zich normaal vanzelf op. Sommige kinderen zijn ochtendmensjes, andere voelen zich pas ‘s avonds goed. De grootste moeilijkheid voor zes- tot twaalfjarigen is het uur van slapengaan. Er bestaat geen ideaal aantal slaap-uren. Het is verkeerd een kind naar bed te sturen lang voor het aan slapen toe is. Maar een slaperig kind kan natuurlijk een zorgenkind worden. Onvoldoende slaap maakt een kind opvliegend en, op termijn, ziek. Slaperigheid overdag kan het eerste symptoom zijn van een ziekte, narcolepsie of een ademhalingsstoornis als slaap-apnoe. Kinderen die aan narcolepsie lijden, kunnen terwijl ze aan het eten zijn, tijdens een wandeling of een fietstochtje, in slaap vallen. De spieren worden dan slap. Kinderen met slaap-apnoe kunnen heel erg snurken. Soms klagen ze ‘s morgens over hoofdpijn. Ze lopen vaker infecties aan de luchtwegen op. Observatie van de slaapgewoonten van kinderen is heel belangrijk. Tijdens de puberteit zijn er twee slaapproblemen die de kop kunnen opsteken: de neiging later in te slapen dan gebruikelijk en narcolepsie. Tieners die last hebben met inslapen, klagen dat ze maar niet indommelen voor drie of vier uur ‘s nachts. Natuurlijk komen ze dan ‘s ochtends niet op tijd op school. Tieners die met narcolepsie geplaagd zitten, houden zich best aan een vast schema van geprogrammeerde dutjes. Ook stimulerende medicatie helpt.
5.4. Pavor nocturnus
Pavor manifesteert zich in het begin van de slaap (tijdens de NREM-slaap). Hoofdzakelijk kinderen tussen vier en twaalf, en van die leeftijdsgroep één tot vijf procent, krijgen ermee af te rekenen. Vaak gaat het kind schreeuwend rechtop in zijn bed zitten. Hij herkent niemand. Zijn pupillen staan wijd open gesperd, zijn hartje bonkt heel snel, de huid is warm en bezweet. Het beste is het kind niet te storen in zijn verwarde, onrustige gedrag. Als men het kind vraagt waarover het gedroomd heeft, antwoordt het in een onbegrijpelijke taal. Het valt weer in slaap en ‘s morgens weet het nergens van. Er moet wel voor gezorgd worden dat het zich niet kan bezeren. Zo’n aanval van pavor nocturnus stopt spontaan. Met het ouder worden verdwijnen de aanvallen gewoonlijk. Behalve de bescherming van het kind, is er geen specifieke behandeling nodig.
5.5. Nachtmerries
Angstdromen ontstaan als men plots uit de REM-slaap ontwaakt. Meestal gebeurt dat in het tweede gedeelte van de nacht. Men is meteen wakker, zich volledig bewust van al die nare gebeurtenissen. Vooral kinderen tussen drie en zes jaar zijn gevoelig voor angstdromen. Het kind kan opgewonden een felle angstdroom vertellen. Het is bang, maar niet in paniek. Het herinnert zich meestal goed waarover het gedroomd heeft, ook ‘s anderendaags nog. Wanneer kinderen ouder zijn, worden ze er minder door geplaagd. Toch blijven nachtmerries soms levenslang op de loer liggen.
5.6. Bedwateren
Bedwateren is een bron van ongemak voor het kind en de ouders. Tot ongeveer de leeftijd van vijf plast één derde van de kinderen nog in bed. Jongens hebben er langer last van dan meisjes. Eigenlijk is bedwateren op die leeftijd niet abnormaal. Pas vanaf de leeftijd van zeven jaar beschouwen slaapspecialisten het bedwateren als een mogelijk probleem. Als het kind een tijd zindelijk is geweest en plots weer gaat bedwateren kan dat te wijten zijn aan psychische spanningen, problemen op school of in het gezin, of aan een ziekte. Wat kan men ertegen beginnen? Men kan maken dat het kind er zich van bewust wordt dat het plast, bijvoorbeeld door het geen luier aan te doen. Training in het ophouden van de urine lijkt vooral zinvol bij kinderen met een kleine blaascapaciteit. ‘Gezonde’ bedplassers hebben er echter weinig baat bij. Een lang beproefd middel is de plaswekker. Maar als het bedplassen een psychische oorsprong heeft, zijn de resultaten wisselvallig.
5.7. Andere parasomnia
Ook slaapwandelen, tanden knarsen, het doordrammende wiegen van het hoofd of geschommel met het lichaam, en het praten in de slaap zijn dingen die de slaap kunnen verstoren. Er zijn heel wat factoren, zoals stress of te weinig slaap die deze verschijnselen kunnen verergeren. Veel valt er niet aan te doen, tenzij preventie om ongelukken te vermijden.
5.8. De slaap van ouderen
Volwassenen tussen de twintig en de vijftig hebben een slaapduur van gemiddeld zeven tot acht uur. Na hun vijftigste kan het slaappatroon opnieuw veranderen, bij mannen sneller dan bij vrouwen. Het evolueert weer naar het oorspronkelijk stramien van veelvuldig wakker worden. Bij mensen boven de zestig daalt de nachtelijke slaaptijd nog verder. Hoogbejaarden houden overdag en ‘s nachts korte slaapjes. Ze zijn dus ‘s nachts vaak wakker, wat ze vaak onprettig vinden, en wat ze de indruk geeft slecht te slapen of aan slapeloosheid te leiden. Maar in werkelijkheid is dat soort slaapgedrag een natuurlijk verschijnsel eigen aan die gezegende leeftijd. Hun slaapproblemen kunnen ook mede veroorzaakt worden door lichamelijke kwalen. Slaapstoornissen kunnen secundair optreden naast andere lichamelijke en psychiatrische aandoeningen zoals artrose, pijn, diabetes, hart- en longziekten, dementie, de ziekte van Parkinson en depressie. Bij ouderen moet men zowel bij het stellen van de diagnose als bij de behandeling altijd met verschillende factoren rekening houden.
6. SLOTBEDENKINGEN
Heel wat mensen klagen over slaapproblemen. Toch gaan slechte slapers zelden naar de dokter. Ze denken dat de slapeloosheid vanzelf wel zal overgaan. Vandaar wellicht dat velen zelfmedicatie gebruiken en met vrij verkrijgbare geneesmiddelen gaan experimenteren. Nogal wat patiënten met slaapstoornissen maken misbruik van slaappillen. Ook alcohol wordt als een oplossing gezien. Vaak merken huisartsen het slaapprobleem bij hun patiënten niet op. Veel heeft te maken met een gebrek aan kennis. Nog te weinig wordt de slaap- en waakgeneeskunde gedoceerd aan onze universiteiten. De spelregels van een efficiënte aanpak van slaap- en waakstoornissen zijn slecht gekend.
Sedert een twintigtal jaar heeft het klinisch slaap- en waakonderzoek heel wat kennis bijgebracht. Voorheen haast onbekende syndromen zoals slaap-apnoe, rusteloze benen, periodische beenbewegingen, narcolepsie... werden en worden uitvoerig bestudeerd. De International Classification of Sleep Disorders is de resultante van gedegen onderzoek. Daarin onderscheidt men vier hoofdgroepen: de dyssomnia’s, de parasomnia’s, de slaapstoornissen die samenhangen met medische en psychiatrische problemen en ten vierde de voorgestelde slaapstoornissen.
Vanuit verschillende disciplines tracht men tot een gerechtvaardigde diagnose te komen. Een uitgebreide en systematische anamnese en heteroanamnese, met behulp van een dagboek en een klinisch psychiatrisch onderzoek, en indien nodig een polysomnografische registratie (eventueel aangevuld met psychodiagnostische vragenlijsten) geven een goed idee van de problematiek. Een polysomnografisch onderzoek is vooral aangewezen bij patiënten die overdag slaperig zijn, of indien er een vermoeden bestaat dat slaap-apnoe of periodische beenbewegingen aan de orde zijn. In geval van slapeloosheid levert een polysomnografische registratie een schat aan informatie wat het stellen van een preciese diagnose vergemakkelijkt.
Een behandelplan wordt opgesteld. Specifieke farmacotherapeutische strategieën worden gebruikt ter behandeling van bijvoorbeeld narcolepsie of van rusteloze benen of van periodische beenbewegingen, of in het geval van psychiatrische aandoeningen of lichamelijke kwalen. Het is uitermate belangrijk dat slaapmedicatie verantwoord voorgeschreven wordt. Het respecteren van de juiste indicaties en contra-indicaties is een garantie voor een optimaal herstel. De slaap- en waakhygiëne verbeteren is meestal een haalbare kaart. Indien nodig wordt psychotherapie geboden. Andere benaderingen zoals aanvullende hulpmiddelen, lichttherapie, ontspanningstechnieken dragen vaak bij aan een andere kijk op het slaap- en waakgebeuren.
Bibliografie
Avonts, D. (1993). Weet wat je slikt. Standaard Uitgeverij, Antwerpen.
Beullens, J. (1995). Lichttherapie. Tijdschrift voor geneeskunde, 51, nr.5, 356-362.
De Clerck, A.C. (Ed) (1986). Slaapstoornissen, Hoe komt u er van af?, M&P, Weert.
De Meyere, M. (1993). Benzodiazepines: Afbouw in de huisartsenpraktijk. Tijdschrift voor geneeskunde, 49, nr.22, 1621-1629.
Kryger, M.H. (Ed) (1989), Principles and practice of sleep medicine. W.B. Saunders Company, Philadelphia-London-Toronto-Montreal-Sydney-Tokyo.
Leroy, B. (Ed) (1995). De gedroomde slaap. Lannoo NV, Tielt.
Moleman, P. (1992). Anxiolytica en hypnotica. Practische psychofarmacologie. Bohn Stafleu Van Loghum, Houtem/Zaventem, pp 1-48.
Theys, P. (1995). Perceptie van de kwaliteit van slaap en waaktoestand in psychofysiologische insomnia, een kritische herevaluatie. Leuven University Press, pp 1-26.
Thorpy, M.J. (1990). Handbook of sleep disorders. Marcel Dekker Inc.






